dag achtendertig…





uit: “Trefwoorden bij een merkwaardig geleefd bestaan” :

dag achtendertig

Zoals dominee De Graaff hem een maand tevoren heeft gezegd,
dat hij ook naar Amsterdam zou gaan, wordt dit de dag waarop dat zal gebeuren.
Weer in zijn beste pak, in de verwachting, dat hij zich mogelijk moet melden
in het Paleis op de Dam, op koninginnedag, de eenendertigste januari,
is Baltus op weg gegaan.
Maar meestal spelen dergelijke verwachtingen geen andere rol, dan dat hij zo alvast
in de goede richting op pad is gegaan…
Eenmaal op een punt aangekomen, waar dan van die ingeslagen weg dient te worden afgeweken, komt er wel een nieuwe aanwijzing, of vindt er een ingreep wel plaats.

Zo komt Balthus tenslotte in een hachelijke situatie terecht, als hij even niet weet
hoe hij moet kiezen.
Hij is dan al bijna in Amsterdam, maar of het hier de ring naar het noorden moet zijn,
richting Abcoude, of die naar het westen, richting Schiphol, hij krijgt het niet helder.
Zo komt hij met zijn auto stil te staan op een landtongetje, maar dat is wel veel te smal!
Er is ook al bijna geen ruimte, om de auto nog uit te komen…
Een veel te klein fuikje, lijkt het wel.

Er is hier niemand aanspreekbaar.
Anders niet, dan door middel van gebed, kan hij de weg hier vragen…
Toch ook hier, met zijn  “gebid”  , wordt hem hier, aangelegd,
een  -bit- …

Zo, maakt hem dit stuurbaar…

Met zijn ogen gesloten, vreest hij van die plek nooit weer los te kunnen komen,
omdat aan beide kanten en in beide richtingen, het verkeer in volle vaart,
onophoudelijk en met veel geraas, voorbij dendert.
Maar als Balthus overeind komt en zijn situatie opnieuw inschat,
kan hij nauwelijks geloven wat hij ziet.

Het lijkt alweer een wonder:
Over wel een hele kilometer is de baan volkomen vrij!
Geen auto te bekennen!

Zomaar uit het niets, ziet Balthus hier een beeld opdoemen, van hoe het volk Israël
ooit door de Schelfzee was getrokken.
Zelfs wat niemand kan geloven, kan dat dan ook echt bestaan?
Vraagt hij zich vol verbijstering af.
Met gemak kan hij nu zijn weg vervolgen en de auto starten!
Wel kost het opstarten nog wat tijd.
De eerste racer die hem op topsnelheid voorbij sjeest, laat al toeterend zijn ongenoegen horen, maar Balthus krijgt de gang er al aardig weer in.
Via de Vijzelstraat en het Rokin, zou hij bij het paleis kunnen komen,
maar helaas, deze keer blijkt ook daar al niet in te zijn voorzien.

Het Rokin ligt helemaal opengebroken en is versperd.
De enige uitweg die er hier nog is, bij de Munttoren, is rechtsaf de Reguliersbreestraat in…
Maar ook deze straat wordt grondig herzien en ligt helemaal over de kop.
Aan de beide trottoirzijden wordt blijkbaar een nieuwe riolering gelegd.
De graafwerkzaamheden gaan wel meer dan anderhalve meter diep.
Alleen in het midden van de straat is nog een smalle strook ruimte gelaten voor de tram.
Maar autoverkeer wordt blijkbaar op de trambaan nog wel ook toegelaten.
Zo moet die trambaan, apart, dan ook nog zelf, op heipalen zijn aangelegd…
Realiseert Balthus zich…

Midden in de winter staat daar een stoere grondwerker, in alleen een hemd,
met een paar, gespierde, blote armen.
Tot zijn middel staat hij in de afgraving, leunend op zijn schop.

Ook staat daar een bord met een sprekende tekst, die Balthus tot het inzicht brengt,
dat hij nu zelf aan de beurt is:

  “Werk in Uitvoering.”

Dit is voor Balthus de boodschap.
Hier zal hij dan nu zijn werk mogen doen.
Maar bovendien, kan er voor deze vertoning een meer uitgelezen plek nog zijn,
dan pal voor de ingang van het beroemde,  Koninklijk  Theater  : Tuschinski…!

Het regent.
Er is zo weinig ruimte over, dat hij alleen door het rechter portier uit de auto kan komen.
Een rode loper had nog kunnen worden uitgelegd…
In plaats daarvan, spreidt Balthus zijn zakdoek op de natte stenen.
Hij knielt op de zakdoek en strekt zich uit, in zijn montycoat,
doet zijn “gebed in uitvoering”, onder de blote hemel, plat op zijn buik…

Een oudere heer komt gehaast te hulp gesneld en vraagt, of hij Balthus kan helpen
en of hij zich wel goed voelt.
Balthus antwoordt: 
“Ik wil graag, dat u mij even de gelegenheid wilt laten, mijn werk hier te doen.
Ik ben zo klaar.”

Balthus bidt, voor Gods geliefde stad en de mensheid:

Amsterdam, bruisend van het leven…!

Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig…

wapen van Amsterdam
Wapen van Amsterdam

                   
Wel heeft hij het gevoel, dat hij de omgeving nogal op de proef stelt, door zo te handelen…
Bovendien voelt het, als moet hij voorkomen dat de mensen in paniek zullen raken en om hulp zullen gaan roepen.

Maar wat is Amsterdam toch een uiterst laconieke stad!
Als hij weer overeind komt, blijkt ook de tram al alle tijd te hebben genomen, keurig wachtend, achter zijn auto, tot Balthus klaar is.
De blik van de trambestuurder spreekt hem boekdelen:

  “Dit is nu precies, wat er allemaal kan, in Amsterdam!”

Een glimlach van herkenning wordt gewisseld en ze knikken naar elkaar.
Ook staat er, op afstand, nog een mevrouw, handenwringend en tamelijk aangedaan,
door zelfonderzoek:

  “Dit zal toch hopelijk niet, van de wereld, het begin van het einde al zijn…!”

Zie je haar denken.

De grondwerker kan al evenmin geloven in wat hij ziet.
Met een gebroken klomp, verkeert hij in opperste verbazing.
Niet te geloven!
Hier moet hij straks eerst maar een flinke borrel op nemen…!

Balthus klimt weer in zijn auto en begrijpt, dat hij voorlopig, in Amsterdam,
niets meer heeft te zoeken en dat hij nu bij zijn eigen “koningin”,
op deze koninginnedag, moet zijn.
Hij heeft met haar te doen.
Zij moet thuis, wel ten prooi zijn aan duizend noden, vanwege haar onberekenbare en onbegrijpelijke echtgenoot, met zijn psychotisch gedoe.
Natuurlijk wordt zij daar doodmoe van.

Terug in Rheinooyen, rijdt Balthus de stuwwal af, naar het water en ook daar gebeurt weer iets, dat aan niemand valt uit te leggen.
Balthus wil daar, zoals normaal is om te doen, links afslaan.
Maar het lukt hem voor geen millimeter!
Hij stuurt uit alle macht naar links, maar volkomen tegen zijn wil, gaat de auto, tegendraads, naar rechts.
Balthus protesteert heftig, wordt boos, razend…
Hij vloekt zelfs.

Maar hij is al afgeslagen.
Hierna gaat het nogmaals zo, naar rechts.
Maar dan gaat hij zo naar de gevangenis!
Door Lyade van Hoornchem is hem dit ooit wel ook zo voorzegd:

  “Je gaat ook naar de gevangenis…”

Maar het pakt ook hier alweer volkomen anders uit.
Hij rijdt er voorbij en beseft, dat dit betekent, dat hij nu ook die gevangenis
links heeft mogen laten liggen, nog niet wetend, dat hij er ooit eens,
wel minstens vijftigmaal, nog op bezoek zal gaan.
Zo maakt hij een extra rondje.
Maar dit schenkt hem, naast de schrik, wel duidelijkheid.

Na het crematorium ( dag vijfendertig… ), mag hij nu ook nog de dreiging van de gevangenis afvinken, terwijl hij alweer niet bij machte is geweest, ook deze symbolische geste, te weerstaan.

Eindelijk kan hij dan nu wel links afslaan, zoals aanvankelijk de bedoeling was geweest.
Balthus zucht diep, hij beleeft het als een bevrijding.
Reden genoeg, om de rest van de dag dan ook zo feestelijk als maar mogelijk is, door te brengen.
Daarom rijdt hij nu eerst langs een tuincentrum en koopt daar een flinke plant,
een Ficus Benjamina, met een mooie pot.
Hij laat hem thuisbezorgen.
Op het kaartje komt een tekst te staan met een gruwelijke schrijffout:

“Leaver dea dan slaef.”

Maar dat moet wel zijn:

“Leaver dea as slaef…” 

Nu zal hij nog gebakjes gaan kopen…
Was het dan niet dominee De Graaff, die hem het zo had gesuggereerd!
De winkel heet, zeer toepasselijk, Super, en heeft een eigen bakkerij.
Balthus doet een super aankoop en koopt vijftig gebakjes…
Hij realiseert zich terdege, dat hij ze thuis op tafel zal zetten en daarbij dan, zoals de dominee het hem zo had gezegd, zijn gebed uitspreken:

  “God, onze Vader, wees hier aanwezig…”

Thuis aangekomen, komt Balthus de kamer binnen.
De ficus blijkt al te zijn afgeleverd, maar is misschien wel de spreekwoordelijke druppel
van de wanhopige emmer geweest, of anders, veel erger nog, de hele bodem uit die emmer, waardoor een tegendraadse indruk is gewekt en zelfs de moed der wanhoop,
ook nog de bodem is uit geslagen…
Miscommunicatie.
Hoe anders!

Balthus’ vrouw zit met de kinderen op de bank en is volkomen van streek, bang dat Balthus niet meer bij zijn positieven is.
Zij heeft het nu wel helemaal gehad, al bijna veertig dagen lang, terwijl het haar nog geen seconde is gelukt, ook maar enige greep te hebben kunnen krijgen, op dit idiote gedoe van haar man.
Het moet voor haar mogelijk nog wel een groter beproeving hebben betekend, dan dat deze inwijding voor Balthus zelf een opgave en uitdaging is geweest…

Hij is, tenslotte, uitsluitend, al die tijd zelf de hoofdrolspeler in dit merkwaardige theaterstuk geweest, met voor hem een paar engelen op zijn schouder, die zich echter voor de medespelers, in dit theater, ook maar geen enkele tel hebben laten zien. 

Balthus vliegt zijn vrouw om de hals, om haar gerust te stellen.
Er is immers niets aan de hand!
Een minuut later begint hij om zich heen te kijken en ziet daar de gebakjes staan.
Als hopeloos verloren, schreeuwen zij het uit:

Wij staan hier ongewijd…!

Dit voelt, alsof Balthus tegen een spiegel is geknald…
Zijn spiegelbeeld weigert daar maar niet in te verschijnen.
Dit is hier even niet wat is!
Maar zo gaat dan ook het feest niet door.
Terug naar de bakker, zal nu de definitieve bestemming worden van de onbeholpen, verloren, vijftig gebakjes…
Ook de ficus wordt weer terugbezorgd.
De schrijffout alleen al, blijkt al veel te pijnlijk in deze situatie.
Nu gaapt er ineens een kloof, die niet deze zelfde dag nog te overbruggen blijkt.
Het kan zelfs zijn, dat hier veel meer gebeurt, dan ook Balthus bij kan benen…
Nog twee dagen zijn er te gaan en dan zal hij heel veel tijd krijgen, om alles eens uitvoerig op een rijtje te zetten.